Johann Wolfgang Goethe + Faust

26/12/2008

 

 

Johann Wolfgang Goethe

Johann Wolfgang von Goethe (Frankfurt am Main, 28 augustus 1749 – Weimar, 22 maart 1832) was een Duits schrijver, wetenschapper, filosoof en staatsman. Goethe was de schrijver van onder meer Faust, ‘Die Leiden des jungen Werthers’ en Zur Farbenlehre en wordt beschouwd als een van de allergrootsten van de Duitse literatuur. Hij was samen met Friedrich Schiller de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duitse classicisme.

Leven

Johann Wolfgang Goethe werd op 28 augustus 1749 in Frankfurt geboren. Zijn vader, Johann Kaspar Goethe, was een vooraanstaand jurist en bracht het tot raadsheer van de keizer. Na thuisonderwijs van zijn vader gaat Goethe studeerde rechten aan de universiteit van Leipzig. Hij krijgt een verhouding met Kätchen Schönkopf en schrijft de ‘Annette-Lieder’ (1766-1767), het herdersspel ‘Die Laune des Verliebten’ (1767-1768) en het blijspel ‘Die Mitschuldigen’ (1769). Hij gaat naar Straatsburg (1670) om zijn studie af te maken en in deze tijd ontstonden de ‘Friederike-Lieder’ (1770-1771), o.a. ‘Willkommen und Abschied’ en ‘Mailied’, zeer persoonlijke gedichten, waarin Goethe zijn gevoelens voor de dochter van een predikant uit Sesenheim, Friederike Brion verwoordde. Na de voltooiing van zijn studie (1771) werd hij advocaat in Frankfurt. In 1772 ging hij werken aan het hoogste gerechtshof (hof van appel) in Wetzlar, waar hij verliefd werd op de verloofde van een vriend, J.Chr. Kestner, welke hem inspireerde hem tot de briefroman ‘Die Leiden des jungen Werthers (1774), die hem meteen beroemd maakte. De verloving met Lili Schönemann in 1775 verbrak Goethe al na enkele maanden, omdat hij zich nog niet definitief wilde binden : het toneelstuk ‘Stella’ en de ‘Lili-Gedichte’, zoals ‘Lilis Park’ (1775) komen uit deze periode. Het treurspel ‘Götz von Berlichingen’ (1773), een voorstudie van ‘Faust’ en het ontwerp van het toneelstuk ‘Egmont’ (voltooid in 1788) ontstonden ook in deze periode evenals ‘Prometheus’ (1774) , ‘Ganymed’ (1774) , ‘Mahomet’ (1774). De bekendste hymnen uit deze periode zijn ‘Wanderers Sturmlied’ en ‘An Schwager Kronos’ (1774). Na een verbroken relatie met Charlotte Buff verhuisde Goethe op uitnodiging van de hertog van Saksen-Weimar-Eisenach, Karel August, in 1775 naar Weimar. Hij werd belast met talloze politieke taken, het beheer van de financiën en de weg- en mijnbouw, het krijgswezen en later het beheer van het hoftheater. In zijn pogingen om de mijnen in het Thüringer Woud opnieuw leven in te blazen, doet hij onderzoek naar geologie en mineralogie en de natuurwetenschappen (het mineraal goethiet is naar hem vernoemd). Ook ontdekt hij het tussenkaaksbeen van de mens, een bij de mens vergroeid stuk bot dat voordien alleen bij dieren was aangetroffen. In 1782 werd hij dooe de hertog in de adelstand verheven, waardoor hij ‘von’ voor zijn achternaam mocht zetten. Aan zijn relatie met Charlotte von Stein herinneren de gedichten : ‘Über allen Gipfeln ist Ruh’ en ‘Zueignung’ (beide uit 1784), ‘Warum gabst du uns die tiefen Blicke’ (1776), ‘Das Göttliche’ (1783), ‘Grenzen der Menschheit’ (1778) en ‘Wanderers Nachtlied I en II’ (1780). Hij schreef ook de bekende ballade ‘Erlkönig’ (1782). Ook de stijl van zijn toneelstukken werd evanals zijn poëzie beheerster, ingetogener en qua vorm aan strenge regels onderworpen: v.b. ‘Torquato Tasso’ (1789) en ‘Iphigenie auf Tauris’ (1786). Van 1786 tot 1788 was hij in Italië, wat een diepe indruk op hem maakte. Teruggekeerd legde zich toe op de natuurwetenschappen. In 1790 verscheen een plantkndige studie, ‘Die Metamorphose der Pflanzen’, in 1791 ‘Beiträge zur Optik’ en hij begint in deze tijd met het werk ‘Zur Farbenlehre’, dat in 1810 uitkwan. Voor Goethe bestond er geen wezenlijk verschil tussen zijn literaire en zijn wetenschappelijke werk. In 1789 begon hij een relatie met Christiane Vulpius (1765-1816), met wie hij in 1806 trouwde. Hij schrijft in deze periode de ‘Römische Elegien’ (1788-1790), ‘Venezianische Epigramme’ (1790) en het dierenepos in hexameters ‘Reineke Fuchs’ (1794). Samen met Schiller publiceerde hij in de Musenalmanach de ‘Xenien’, (1796) een literaire polemiek, en ‘Der Zauberlehrling’, ‘Die Braut von Korinth’, ‘Der Gott und die Bajadere’, ‘Der Schatzgräber’ (ballades, 1796). Hij voltooit de roman ‘Wilhelm Meisters Lehrjahre’ (1795-1796) en nam hij de Faust weer ter hand. Daarna volgen ‘Hermann und Dorothea’, (1997) een idyllisch epos en ‘Die natürliche Tochter’, een stuk. In 1808 gaf hij het eerste deel van de Faust voor publicatie vrij, in 1809 verscheen de symbolische roman ‘Die Wahlverwandtschaften’; ‘Aus meinem Leben, Dichtung und Wahrheit’, waarvan hij het vierde en laatste deel in 1831 afsloot, de reisherinneringen ‘Italienische Reise’ (1816-1817). In 1823 publiceerde Goethe de ‘Marienbader Elegie’, waarin zijn liefde voor de jonge Ulrike von Levetzow wordt verwoord. ‘Wilhelm Meisters Wanderjahre’ (1829), deels roman, deels novellen, was het laatste van een serie werken waarin Goethe zijn pedagogische inzichten te boek stelde. Vlak voor zijn dood, op 22 maart 1832 in Weimar, slaagde Goethe erin zijn levenswerk, de ‘Faust’, te voltooien. Het eerste ontwerp ontstond in 1774; het eerste deel van de tragedie, aangeduid met ‘Faust I’, voltooide Goethe in 1808, het tweede en laatste gedeelte, de ‘Faust II’, in 1832, het jaar van zijn dood.

Bibliografie

·         1766-1767 Annette-Lieder

·         1768 Die Laune des Verliebten; (herdersspel; in 1806 in boekvorm)

·         1769 Neue Lieder

·         1769 Die Mitschuldigen; (blijspel; 1787 in boekvorm)

·         1771 Friederieke-Lieder

·         1773 Götz von Berlichingen mit der eisernen Hand; (drama)

·         1774 Neueröffnetes moralisch-politisches Puppenspiel

·         1774 Ein Fastnachtsspiel vom Pater Bray

·         1774 Jahrmarktsfest zu Plundersweilern

·         1774 Götter, Helden und Wieland; (klucht)

·         1774 Die Leiden des jungen Werther; (roman in brieven)

·         1774 Clavigo; (treurspel)

·         1775 Erwin und Elmire; (toneelspel met zang)

·         1775 In allen guten Stunden; (vrijmetselaars volkslied)

·         1776 Wilhelm Meisters theatralische Sendung; („Urmeister“ roman; in boekvorm 1911)

·         1776 Stella; (toneelspel voor verliefden)

·         1778 Der Fischer

·         1779 Iphigenie auf Tauris; (proza; in boekvorm 1787)

·         1780 Torquato Tasso drama; (in boekvorm 1790)

·         1786 Über den Zwischenkiefer der Menschen und der Tiere

·         1787 Die Leiden des jungen Werthers. 2e versie; (roman in brieven);

·         1788 Egmont; (treurspel, 1775);

·         1790 Venezianische Epigramme

·         1790 Faust. Ein Fragment

·         1790 Die Methamorphose der Planzen

·         1791 Beiträge zur Optik

·         1792 Gros-Cophta; (blijspel)

·         1792-1793 Die Aufgeregten

·         1793 Der Bürgergeneral; (blijspel)

·         1795 Die Unterhaltungen deutscher Ausgewanderten;

·         1796 Wilhelm Meisters Lehrjahre;

·         1796 Die Geschichte von Mignons Eltern; (verhaal uit: Wilhelm Meisters Lehrjahre)

·         1796 Xenien; (gedicht geschreven met Friedrich Schiller)

·         1797 Novelle

·         1797 Propylaën

·         1797 Achilleis

·         1797 Faust. 1. Teil; (in boekvorm in 1808);

·         1804 Die natürliche Tochter; (treurspel)

·         1805 Epilog zur Schillers Glocke

·         1807 Wilhelm Meisters Wanderjahre; (roman; in boekvorm in 1821; uitgebreid 1829);

·         1808 Sonette

·         1808 Pandora; (feestelijk spel; in boekvorm in 1817)

·         1809 Die Wahlverwandtschaften; (tekstvorm);

·         1810 Zur Farbenlehre;

·         1816 Kunstschätze am Rhein, Main und Neckar

·         1817 Italienische Reise;

·         1817 Die guten Weiber

·         1823 Marienbader Elegie

·         1832 Faust. 2. Teil;

·         1832 Nachgelassene Schriften

periode 1816-1832 publicaties in het tijdschrift: ‘Ueber Kunst und Altertum’

Gedichten

·         1774 Prometheus

·         1774 Geistesgruß

·         1782 <a title=”Erlkönig”

·         1790 Römische Elegien; (gedichtbundel)

·         1794 Reikene Fuchs; (dierenepos)

·         1797 Der Zauberlehrling

·         1797 Hermann und Dorothea; (idylle in hexameter)

·         1815 Vom Sänger hat man viel erzählt;

·         1816 Wenn die Liebste zum Erwidern;

·         1819 West-Östlicher Divan; (gedichtbundel)

·         1811-1833 Aus meinem Leben Dichtung und Wahrheit; (autobiografisch)

Overig werk

·         1776 Die Geschwister; (toneeldrama in één akte)

·         1809 Die wunderlichen Nachbarskinder; (novelle)

·         1811 Der neue Paris

·         1814 Sankt-Rochus-Fest zu Bingen

·         1821 Einleitung zu den Trauerreden;

·         1822 Kampagne in Frankreich; (een bericht)

·         1830 Rede zum brüderlichen Andenken Wielands;

·         1830 Dem würdigen Bruderfeste: „Fünfzig Jahre sind vorüber“;

·         1816-1832 Über Kunst und Altertum; (geschreven met Johann Heinrich Meyer, [1760-1832])

·         1833 Maximen und Reflexionen; (postuum verschenen)

·         2005 Goethe – Schiller, briefwisseling / druk 1; (Ned. vert. door: A.J. Leemhuis)

·         Belagerung von Mainz

·         Claudine von Villa Bella; (toneelspel)

·         Proserpina; (Monodrama)

·         Satyros. Oder Der vergötterte Waldteufel; (toneeldrama)

 

·         1797 Das Leben des Benvenuto Cellini   

 

·         1802 Mahomet; (bewerkte tragedie van Voltaire) 

Faust

Het Faust uit het werk van Johann Wolfgang von Goethe handelt over de mens die bezeten is van het idee alles op hemel en aarde te kunnen doorgronden, is al zeer oud en talloze malen bewerkt. Goethe greep dit thema tevens aan om zijn diepste persoonlijke gevoelens ten aanzien van de wereld en de kosmos weer te geven, waarbij hij alle mogelijkheden van de taal uitbuitte. ‘Faust I’ bevat een duidelijk dramatisch gegeven: Faust, gekenmerkt door een onverzadigbaar verlangen naar kennis, komt in contact met Mephistopheles, de geest die iedere diepere zin van het leven ontkent en die hem tijdens hun gezamenlijke omzwervingen op allerlei manieren probeert te verleiden tot een passief genieten, o.a. in de confrontatie met het meisje Gretchen. ‘Faust II’ is veel abstracter en doordrenkt van een allesomvattende symboliek, waarin elementen uit verschillende culturen zijn verweven. Faust wordt hier geconfronteerd met Helena, het symbool van de absolute schoonheid waarin geest en lichaam worden verenigd. In beide versies gaat Faust uiteindelijk niet te gronde, maar wordt hij in tegenstelling tot andere bewerkingen van het thema, gered. In Goethes zienswijze wordt Faust, met andere woorden de mens, bepaald door een samenspel van persoonlijke vrijheid en de normen en de wetten van de maatschappij, waarbij Goethe de laatste primair stelt: uiteindelijk wordt Faust immers gered doordat hij zich opoffert voor de gemeenschap, in haar belang van zijn eigen wilsvrijheid afstand doet.

Afkomstig van Belgica NL, de Vrije Encyclopedie.

 

http://www.encyclopediabelgica.com/index.php/Johann_Wolfgang_Goethe

 

http://www.encyclopediabelgica.com/index.php/Faust

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: